Posted in Columns

Aan de pestkoppen uit mijn jeugd

Aan de pestkoppen uit mijn jeugd Posted on 14 april 20152 Comments

Rotterdams, Rauw, Rebels & Authentiek. Mensen denken vaak dat ik stoer ben, maar ik ben een zachtgekookt eitje. (Online) marketingcommunicatie is zeg maar echt mijn ding. Net zoals schrijven, tatoeages, lezen, slapen en eten. Let's klets op Instagram en Twitter.

 

©Feminist.com

Ook al ben ik nooit zodanig gepest dat ik geen vriendinnen had, niet meer naar school durfde en niet meer wilde leven, maar gek genoeg werd ik er ook niet gelukkig van. Ik zit een beetje voor me uit te staren en te denken aan de dagen op de basisschool waar ik op bijna dagelijkse basis werd gepest. Waarom weet ik nog steeds niet. Ik vond mezelf niet veel anders dan de anderen uit mijn klas. Ik was niet de dikste, niet de dunste, niet de lelijkste, niet de mooiste, niet de slimste en niet de domste. Al met al zou je me gewoon gemiddeld kunnen noemen. Tenminste, zo zie ik mezelf als ik terugkijk, maar was ik wel gemiddeld? Qua intelligentie, uiterlijk en figuur zeer zeker wel, maar er moest iets zijn wat het vuur in mijn pestkoppen aanwakkerde. Wat dat was? Ik heb nog steeds geen idee. Ik kan er niets aan doen om te denken dat ze ergens jaloers en dat ze zelf diep ongelukkig waren. Daarom draag ik vandaag dit stuk op aan hen. Pestkoppen uit mijn jeugd, deze is voor jullie. 

Ergens was ik altijd anders. Ik kon niet goed rekenen, me slecht concentreren en ik droeg geen Levi’s 501. Ik droeg geen Nike Air Max, maar sandalen, ik hield me niet bezig met mijn figuur in groep 8, maar at snoepjes en frietjes als ik daar trek in had. Ik dagdroomde soms een halve dag en hoorde niet wat mijn klasgenoten tegen mij zeiden. Achteraf gezien is dat misschien ook maar beter, want er was hoogstwaarschijnlijk nooit veel goeds uitgekomen. Het ene moment was ik bevriend met de hele klas en het andere moment was de hele klas boos op mij. Snappen deed ik het niet, maar in zak en as zitten ook niet. Blijft jammer dat jullie dat niet voor elkaar kregen, hè? Snap ik. Sowieso als het die pestkoppen wel wat gelukt, was de kans klein dat ik het laten merken. Fake it ‘till you make it, zullen we maar zeggen.

“Hey, vetzak! Ga eens friet halen! Jij komt daar toch elke dag, dus je kan het vast ook voor ons betalen!” De grap was dat ik er nooit kwam en ik er helemaal geen geld voor had. Toch kreeg ik dit wekelijks een keer om mijn oren geslingerd. Jaren achterelkaar, waardoor ik langzaam ging geloven dat ik inderdaad een vetzak was. “Je bent een trut, waarom ben je zo’n trut. Je bent echt een trut?” Terwijl ik gewoon rustig aan het kladderen was in mijn schrift. Negen van de tien keer had ik niet eens door wat er aan de hand was. “Vind je het leuk als ik je een trut noem? Je bent toch een trut? Daarom is Macy  nu mijn beste vriendin. Zij wil ook niet met een trut omgaan hoor.” Verder dan trut, sukkel en eikel kwamen ze toentertijd nog niet, maar al waren ze net zo creatief als de pubers in deze tijd, de woorden deden niet zoveel met me. Het was de dagelijkse strijd die ik moest voeren om te laten zien dat ik wél leuk was. Op een dag gaf ik op. Het deed er niet meer toe. Ze vonden me niet leuk, dus waarom zou ik blijven strijden om te bewijzen dat ik wél leuk was.

En ben, uiteraard.

Het werd steeds normaler voor me om te horen dat ik niet leuk was, te dik was, lelijke sproeten had of dat ik lui was. Op een gegeven moment kon ik alleen nog maar mijn schouders ophalen. “Wacht maar na schooltijd,” was een uitspraak die regelmatig werd uitgesproken. Ik bleef nooit wachten, maar er gebeurde ook nooit wat. Tot die ene dag. “Wacht maar, na schooltijd pak ik je!” zei een pester van een andere school. Ik keek haar aan, voelde me ongemakkelijk en wist ergens dat de opmerking deze keer gemeend was. Ze was het vriendinnetje van het meisje wat bij mij op school zat. Dat meisje vond het altijd nodig om mij te klieren en op een dag was ik er klaar mee. “Wacht jij maar na schooltijd!” beet ik haar toe.

Alweer spijt van wat ik had gezegd, werd het veel te snel ‘na schooltijd’. Ik liep de school uit en daar stond een groepje ramptoeristen en de desbetreffende dame met haar vriendin. Haar vriendin was groot. En eng. Vast ook heel sterk, dat waren namelijk de roddels die gingen over haar. Ze was immers al twaalf. Het liefst wilde ik wegrennen, in een hoekje – in foetushouding –  kruipen en duimen. Dat ik dat niet deed, was waarschijnlijk het moment dat ik voorgoed afrekende met de pesterijen. Ik keek haar aan, liep recht op haar af. De woorden ‘wacht maar na schooltijd’ als een mantra in mijn hoofd. Mijn handen trilden, mijn hart ging tekeer. Het onder controle houden van mijn adrenaline was praktisch onmogelijk. Mijn blik op oneindig. Het leek alsof ik haar aankeek, maar eigenlijk keek ik dwars door haar heen. Vlak voor haar stopte ik. Zette mijn handen op haar schouders en gaf alles wat ik had. Ik zag haar tuimelen, haar evenwicht zoeken en ze belandde zo tussen alle fietsen van de ramptoeristen die daar geparkeerd stonden. Daar lag ze. Ramptoeristen juichten. Ik was verdoofd. Snel draaide ik me om en maakte dat ik wegkwam. Onoverwinnelijk voelde ik me niet, aangezien ik achtervolgd werd door haar vriendinnetje en haar consorten. Ze haalden me niet in en ik kwam zonder kleerscheuren thuis. Ik besloot dat vechten niets voor mij was weggelegd.

Ik was benauwd om de volgende dag naar school te gaan, maar er was niets aan de hand. Mijn klasgenoten deden alsof er niks was gebeurd. Een hele poos ben ik licht paniekerig geweest voor het vriendinnetje van het meisje. Na schooltijd werd een tijdje een periode van angstzweet en trillende handjes, maar ik zou me nooit laten kennen. Het pesten hield op, kreeg mijn vriendinnetjes weer terug – maar ik hoefde ze niet – en ging ongeschonden naar de middelbare school. Niemand zou weten dat ik van binnen kapot ging van adrenaline en what if-gedachten.

Wat ik geleerd heb van die periode? Dat ik anders was dan de rest en dat ik weigerde me aan te passen voor wat de wereld zag als normaal. Of wat dit betreft mijn klasgenoten van rond de 11 jaar zagen als normaal. Ik heb geleerd dat kinderen je pesten, omdat ze niet fijn in hun eigen velletje zaten. Wat daar de reden voor was, dat zal ik nooit weten. Het was alleen genoeg reden om mij niet lekker in mijn vel te laten zitten. Dat werkte eventjes. Het geluk voor mij was dat het niet zo erg was en dat ik op een moment voor mezelf op durfde te komen. Dat mijn handjes trilde en zweette, wist niemand wat vanaf. Dat ik eigenlijk innerlijke paniek had, mijn hoofd op hol sloeg en dat ik liever weg wilde rennen, wist niemand. Tot op de dag van vandaag zal niemand aan me kunnen zien dat ik paniek heb. Always play it cool. Dat is wat ik heb geleerd. Oh en dat ik awesome ben, uiteraard. Misschien moet ik de pestkoppen ergens bedanken, maar dat ga ik niet doen. Zo’n groot persoon ben ik niet.

Rotterdams, Rauw, Rebels & Authentiek. Mensen denken vaak dat ik stoer ben, maar ik ben een zachtgekookt eitje. (Online) marketingcommunicatie is zeg maar echt mijn ding. Net zoals schrijven, tatoeages, lezen, slapen en eten. Let's klets op Instagram en Twitter.

2 thoughts on “Aan de pestkoppen uit mijn jeugd

  1. Zit het met kippenvel te lezen. Wat kan het karakter van een kind toch veel invloed hebben op je. Had iedereen maar zo’n sterk karakter als jij, die dit heeft meegemaakt. Awesome indeed!

  2. Super blogpost! Fysiek vechten was misschien niet voor je weggelegd, maar vechten kan ook op andere manieren en zo te lezen heb jij het gevecht gewonnen! Jij bent er beter uitgekomen en dat is wat telt 🙂

Wat vind jij?