De man met de zilveren haren

De man met de zilveren haren, de geelgekleurde wijsvinger en duim. Rimpels die zo zacht aanvoelde alsof je een kusje gaf aan satijn. Hij was in mijn ogen groot, maar in werkelijkheid was hij maar een metertje en wat zeventig centimetertjes. Ongeveer. Zijn stem en manier van praten kan ik me niet meer herinneren. Het huis waar hij woonde was donker. Donkere stoelen, donkere tafel en donkere gordijnen. Er werd altijd pastei met kippenragout geserveerd, omdat champignonnenragout vies was. In het witte porseleinen bakje zaten altijd bonbons. In ieder geval op zondag. Voor zijn kleinkinderen. Voor ons.

Hij was onze chocolade –kippenragout-superheld. Of is eigenlijk, want ook al is hij niet meer, hij is het nog steeds. Hoe dan ook. Het enige wat ik mij kan herinneren zijn de te klein gedraaide sjekkies van gescheurde vloeitjes, omdat hij dan minder rookte. De chocolaatjes, het land van de boer achter zijn huis. De woning van de boer, waar we langsliepen en deden alsof het een spookhuis was. De weg voor het huis waar we met nichten en neven op de grond gingen liggen en wachten tot er een auto kwam. Wie het langste bleef liggen had gewonnen. Die was de stoerste. Voor een moment. Gelukkig reden de auto’s toen nog met fatsoen door een woonwijk en niet met 110 km p/u. We waren gelukkig snel genoeg om weg te rennen. We waren stoer. Vonden we zelf. De volwassenen wat minder, maar ik geloof niet echt dat ze wisten wat we daar op die straat aan het doen waren. Dus, nu heb ik ons eeuwenoude familiegeheim verklapt. Sorry.

Ik zie mijn zusje en ik nog steeds naast zijn stoel staan. Allebei een hand op de rugleuning. Wachten tot hij klaar was met praten, of zijn sigaretje had uitgedrukt in de lange jaren ’50 asbak die naast zijn stoel stond, zodat wij konden vragen of we een chocolaatje mochten. Een wit met bruine bonbon gevuld met praline. Ik stond naast de stoel en vroeg het. Mijn zusje wachtte af of ze er één mocht. Of eigenlijk twee, want ik hoefde zelden het chocolaatje te hebben. Behalve als er witte chocolade in het witte porseleinen bakje lag. Als die er niet waren had mijn zusje geluk, dan had ze er twee. Vaak hadden we al gespiekt of er chocolaatjes inzaten en we wisten ook al precies welke we wilden. Soms had ik pech en zat er alleen zeebanket in. Maar vaak genoeg had hij van die chocolade cupjes. Altijd als ik deze zie in de supermarkt, denk ik aan hem.

Ook al deden wij als kleinkinderen zoveel dingen die niet mochten, hij zou er nooit wat van zeggen. Tenminste niet tegen ons. Dat mochten de ouders doen. Het land wat achter zijn huis lag was het land van een boer. Hij verbouwde daar aardappelen of uien. Dat kon ons niet schelen. Wij gingen met z’n allen, een groep van vier – misschien wat meer –  kinderen rennen op het land. Over de heuveltjes die waren gecreëerd door zo’n landbouwmachine, waar ik de naam van had moeten weten als rasechte Zeeuwse. De boer werd nooit zo vrolijk van ons. We vertrapten zijn land. De vogels waren weg, dat wel, maar hij kon zijn hele land weer opnieuw gaan doen met zijn landbouwmachine. Wisten wij veel. Wij waren geen boeren en we dachten wel dat het los zou lopen als we daar over heen zouden lopen. Dat het niet mocht, was ons al duidelijk toen wij één voet op het land zette. Maar het was te leuk. We hadden de grootste lol.

Zijn keurig opgemaakte bed, met een vouwtje bij het hoekje. En het ronde langwerpige kussen waar hij zijn benen te ruste legde. De hometrainer die nog meer geluid maakte dan alle landbouwmachines bij elkaar, maar we mochten er op fietsen wanneer we wilde. Er werd nooit wat van gezegd. De bovenverdieping was voor ons mysterieus, hij sliep op de benedenverdieping. Boven, daar kwamen wij nooit. We hadden er niets te zoeken en daar stond het bed wat hij deelde met zijn vrouw. De vrouw die wij helaas nooit hebben ontmoet, nooit konden ontmoeten. Eigenlijk weten we heel weinig van hem als ik er over nadenk. Waar hij vandaan kwam, wat hij had gedaan en met wie hij een leven had opgebouwd in Nederland was ook het enige wat je hoefde te weten. Aan meer hechtte wij geen waarde. Meer snapte we ook niet. Dat scheelde.

Op een dag was hij er niet meer. In mijn herinnering is het plotseling. Van de een op andere dag. Weg. Geen chocolaatjes meer uit een witte porseleinen pot. Geen handen meer leunend op de rugleuning. Geen afgescheurde vloeitjes en zwaar ruikende shag. En niet meer spelen op het land van de boer en diens woning behandelen als een spookhuis. Niet meer liggen op de weg voor zijn huis en wachten tot er auto’s aankwamen. Helemaal niets meer. Geen kusjes meer geven aan de man met de satijnzachte gerimpelde huid met zilveren haren. Geen pasteitjes met kippenragout meer. Helemaal niets meer.

Nu twintig jaar later mis ik de manier hoe we door het land achter zijn huis banjerde. Hoe we het huis van de boer behandelde als een spookhuis en hoe we op de weg voor opa zijn huis lagen te wachten tot er auto’s aankwamen. Hoe het deksel eerst werd opgetild om te kijken wat voor chocolaatjes er in het witte porseleinen potje zaten.

Hij was de spil van de familie. De opperbaas. De chief. De kapitein. En dat wisten wij. Allemaal. En zo hecht zoals daar, in dat huis, zijn we nooit meer geweest. Weg. Alsof hij er nooit is geweest, zo ging het leven door. Maar gelukkig weten wij beter.

 

Rust in Vrede, Opa Kempees 09-09-1911 – 10-10-1991

 

Filed under Columns

Rotterdams, Rauw, Rebels & Authentiek. Mensen denken vaak dat ik stoer ben, maar ik ben een zachtgekookt eitje. (Online) marketingcommunicatie is zeg maar echt mijn ding. Net zoals schrijven, tatoeages, lezen, slapen en eten. Let's klets op Instagram en Twitter.

6 Comments

  1. jannemiek

    Je hebt het weer prachtig verwoord Thamar,een lieve Opa voor al zijn kleinkinderen is het waard om nooit te vergeten en ben blij dat jullie dat niet doen.

  2. Zo mooi geschreven. Doet me pijn dat ik mijn grootouders nooit heb gekend. Ben daarom ook zo blij dat mijn kinderen wel grootouders hebben.

  3. Opa’s zijn cool. En jij verwoordt het prachtig. Je bent pas dood als er niet meer over je gesproken wordt. En schrijven telt als spreken!

  4. blauwesokken

    heel erg mooi beschreven, ik zie al je woorden voor me.
    vaak besef je pas ‘later’ hoe fijn en mooi je het ‘vroeger’ had. (heb ik tenminste)

    bijzondere data van geboorte en overlijden van je opa trouwens..!

  5. Ook ik herinner me alles Tham. Mijn vader, jouw opa. Mijn leven, jouw leven.
    Mijn voorbeeld en inspiratie. Ik mis m nog steeds….

Vertel ons wat jij er van vindt