“Mama, het was een heggenschaar!”

Gehuil. Ik hoor gehuil. Of eerder gejank. Ik weet dat het mijn zoon is. Ze staan aan mijn deur. “Wat is er aan de hand” was het eerst wat ik dacht. Of eigenlijk ‘wat nou weer’. Het is niet de eerste – en vooral niet de laatste – keer dat hij huilend thuiskomt. Jongens. Spelen, vallen overal vanaf en komen vervolgens huilend en/of kreupel thuis. Ik open de deur, op z’n vrijdags. Gaar. Weekend in mijn hoofd. Niks doen in mijn bloed. Ik open de deur. “Wat is er?” vraag ik. “Kijk naar zijn rug” zegt een onbekende jongeman die twee koppen groter is dan ik. Paars petje op zijn hoofd, grote ogen. Ik kijk direct. “Godverdomme!” Een plas bloed is het enige wat ik zie. Zijn hele grijze Spiderman T-shirt is doorweekt met een bloedvlek ter grootte van een boterham. “Wat is er gebeurd?” vraag ik vol schrik en verbazing. “Ik heb een schaar in mijn rug gehad,” snikt hij. “Een heggenschaar. Mijn vriendje heeft dat per ongeluk naar mij gegooid.” Ik keek naar de bloedvlek, luisterde naar het verhaal, maar kon er niet bij stilstaan. “Een wat? Een schaar?” Shit.

Ik neem mijn zoon direct mee de keuken in. Het eerste wat ik deed was zijn T-shirt openknippen aan de achterkant. Mijn nieuwsgierige aard overheerste hier ook. “Kut.” Ik griste mijn sleutels, mijn tas, mijn passen en zeg tegen de meute die voor mijn deur staat dat ik naar het ziekenhuis moest. Nu. Mijn bovenbuurjongen bood zich direct aan. “Even mijn sleutels pakken,” en rende volle vaart naar boven. Ik stap in zijn kleine witte autootje met mijn zoon. Een theedoek tegen de wond gedrukt. Gelukkig woon ik niet ver van het ziekenhuis vandaan en waren we er binnen een paar minuten.

Ik loop met mijn zoon en de bovenbuurjongen naar de balie. De receptioniste moet de gebruikelijke vragen stellen. ID-kaart, verzekeringsmaatschappij, geboortedatum. Blablabla. Ik begin ongeduldig te worden en wil haar bijna de wind van voren geven op het moment dat de verpleegster van de eerste hulp naar ons toekwam. Ik mocht alle passen later brengen. Natuurlijk had ik niets compleet. Mijn zoon is gewond en het enige waar ik aan dacht was dat hij direct geholpen moest worden.

Snikkend vertelde hij aan de verpleegster wat er was gebeurd. Er werd erg gehamerd op ‘het ongelukje’-ding. Of het wel écht een ongelukje was. Of het niet per ongeluk expres was gebeurd. Maar mijn zoon bleef standvastig bij zijn verhaal en vertelde dat het per ongeluk was gebeurd. Aan iedere dokter, verpleegster en iedereen die het maar horen wilde vertelde hij dat het een ongeluk was. Waar ik ook echt niet anders over had gedacht. Ze hadden op dat moment geen ruzie. Ze waren lekker samen aan het spelen en toen gebeurde dat. Het is ongelukkig dat die jongen besloot de heggenschaar te gooien en mijn zoon deze opving. Meer dan dat was het niet. De arts, de verpleegster en iedereen die het maar wilde horen knikten en geloofde hem. Terecht. Ik geloof ook absoluut niet dat het met kwade opzet was.

We moesten naar de eerste verdieping. Daar kwam er wederom een arts die wilde weten wat er was gebeurd. Hij vertelde het hele verhaaltje weer. Zonder enige verveling. Het was de ultieme bliksemafleider. De arts wilde weten of al zijn zenuwen, pezen en weet-ik-veel-allemaal nog meer nog werkte. Gelukkig deed alles het nog. Al kon mijn zoon met heel veel moeite zijn linkerarm recht omhoog krijgen, of zijn schouder. Maar dat was niet vanwege een eventuele beschadiging. Het kwam meer door de pijn. Het trekkerige gevoel van een open vleeswondje van ongeveer twee centimeter breed. De arts vroeg hem even op het bed te gaan liggen. Op zijn rechterzij. Ik ging naast het bed zitten en keek recht in het wondje. Waardoor ik besloot weg te kijken. Ik ben voor een boel gemaakt, maar voor een dergelijk gapend gaatje, niet echt. Vooral niet als er ook nog eens bloed uit loopt. Dan ben ik opeens niet meer zo’n stoere mama. Nee, dan ben ik net zo groot als dat jongetje wat daar op dat ziekenhuis bed wat ontzettend aan het huilen is. Ik wilde het liefst meedoen. Maar dat deed ik niet. Ik was groot voor hem. Voor mijn zoon die daar ligt te vergaan van de pijn. Ik ben er voor hem. Hoe eng ik het ook vind.

De arts spoot twee verdovingen in zijn rug. Gillen was dat. Voor hem. Maar ook bijna voor mij. Ik kon die naalden niet aan. Ik keek even weg. Alleen toen ik hem weer hoorde huilen, intens hoorde huilen moest ik toch snel weer terugkijken. Strelend met mijn vingers door zijn haar. Vragen naar allerlei verschillende dingen. Random. Alles random. In mijn ‘toestand’ heb ik volgens mij de gekste dingen gezegd. “Dokters zijn echt slim hè mama?” “Ja, maar daar hebben ze dan ook heel lang voor geleerd.” Oh. Ja. Oeps. Het was er al uit. De artsen reageerden gelukkig niet. Ze lachten wat. Ondertussen begon de verdoving in te werken. En kon het naaien beginnen. Even velletjes tegen elkaar aannaaien. Smerig. Wederom was ik een mietje. Gelukkig voelde hij er niets van. Of nou ja, bijna niets. De arts begon bij een stukje wat nog niet volledig verdoofd was. Dus dat was weer even krijsen. Laten weten dat iets hem niet zint, is zijn sterkste kant. De arts begon aan de andere kant en hij vond het maar raar. Hij snapte er niets van en was ontzettend bang. Hoe moet je zo’n kind dan gerust stellen hè? Nog meer gekke dingen uitkramen dus. Eerlijk, ik zou niet eens meer weten wat ik allemaal heb gezegd. Maar het is ok, het hielp hem. Of het nou uitmaakte wat ik zei, ik denk het niet. Het ging er vast meer om dat ik er was.

En er zijn, dat zal ik altijd zijn.

Filed under Columns

Rotterdams, Rauw, Rebels & Authentiek. Mensen denken vaak dat ik stoer ben, maar ik ben een zachtgekookt eitje. (Online) marketingcommunicatie is zeg maar echt mijn ding. Net zoals schrijven, tatoeages, lezen, slapen en eten. Let's klets op Instagram en Twitter.

3 Comments

  1. jannemieke

    Zoals ik al tegen je zei,vreemd speelgoed en zeker om er mee te gaan gooien maar met mijn bikkeltje gaat het gelukkig weer goed,loopt alweer buiten te spelen,hoop niet met hetzelfde speelgoed!
    Dikke kus Jay, neem voortaan maar een voetbal…..

  2. Gelukkig is het nog “goed” afgelopen. Ik heb mijn moeder vroeger ook tot wanhoop gedreven met gebroken arm, gat in hoofd, buil zo groot als een stopcontact (moeder viel toen echt flauw,nooit eerder gezien)etc etc. Vanaf m’n 16e was het over en heb ik tot de dag van vandaag (even afkloppen) geen ziekenhuis meer gezien voor mezelf. Maar met die 3 van ons wel en dan ook nog die situaties waarin ik in terecht kom en EHBO moet toepassen. Ik trek het aan, blijkbaar. Maar als het om je eigen hummel gaat dan is het toch anders, dan wil je die ellende, angst en pijn graag overnemen, maar het hoort nu eenmaal bij het leven. Maar het toont wel weer aan dat je een lieve mamma bent!

Vertel ons wat jij er van vindt